Woordenschat

Previous

De woordenschat wordt verbreed met:  

  1. Objecten uit de omgeving. Oefeningen zoals „luister en doe”. 
  2. Zintuiglijke materialen: de namenlesjes 
  3. Classificatieplaatjes, collecties van plaatjes die horen bij een onderwerp, bijvoorbeeld de stad, het station, transport, muziek, geschiedenis, de boerderij, etc. Als deze kaarten worden gegeven moet men dit vooraf laten gaan door de kennismaking met de echte dingen en dan pas de kaarten aanbieden. De leidster moet deze oefeningen interessant maken door het wisselen van de kaarten en de platen op de muur, etc. 
  4. Een definitie of beschrijving maken

Om de gesproken taalvaardigheid van kinderen in de onderbouw te stimuleren, kun je dagelijks de volgende lesjes aanbieden: 

DSCF1888
  1. Luister en doe: 
    3-4 kinderen. Doelen: concentratie, zelfvertrouwen, auditief geheugen, voorbereiding op de geschreven opdrachten die later aangeboden kunnen worden. Geef steeds een kind tegelijk een opdracht. Bijvoorbeeld:  sta op en raak de deur aan. „ga naast de roze toren staan.” Het geeft kinderen meer oriëntatie in de ruimte en verbindt ze ermee. Mix de leeftijden voor moeilijker en makkelijker opdrachten. Oudere kinderen kun je bijvoorbeeld de opdracht geven: „open de doos met constructieve driehoeken”. of: „sta op, doe je hand op je hoofd, spring naar de deur, raak de deur aan en kom weer terug”. Laat steeds meubilair of werk aanraken. 

    Leg alle materialen van 1 werk op een kleedje. Vraag de kinderen voor te doen hoe je ze gebruikt. Vraag hen de dingen die je aanwijst te benoemen.

    Variatie: vraag de kinderen materialen te halen van verschillende werkjes, bijvoorbeeld allerlei soorten borstels (nagel-, schoenpoets-, etc.) en te noemen waar ze bij horen. 

    Opdrachten: "leg het blokje van de roze toren op de roze stok (=relatie).” of: „til een stoel op en sluit een raam” (=geen relatie). „Haal het dienblad maar niet de schaar”. „breng het grootste boek”. Dit alles dient als voorbereiding waneer kinderen dit soort opdrachten gaan lezen en uitvoeren, wat een stuk abstracter is. Let erop of kinderen de opdracht in de juiste volgorde uitvoeren. Zo niet, geef je een opdracht waarbij de de juiste volgorde wel moeten volgen. Bijvoorbeeld: „schenk een glas in en neem een slok”. Maak er een plezierig lesje van! Geef 2 of 3 opdrachten per keer, niet meer. Voor oudere kinderen kun je een verbale classificatie opdracht geven zoals: „noem alle soorten fruit” of „noem alle wilde dieren die je kent”. Dit spel kan ook heel goed buiten. De oudere kinderen vinden het erg uitdagend als je ze drie opdrachten tegelijk geeft: „ga naar de zintuiglijke kast, leg een cilinder op je hoofd en loop ermee naar de deur.”


  1. Zintuiglijk materiaal en hun taal
    De meeste woorden die aangeboden worden bij het zintuiglijk materiaal zijn bijvoeglijk naamwoorden. De taal wordt gepresenteerd in een lesje in drie perioden. Eerst komen woorden aan bod zoals: dik, dun, blauw, geel, enzovoort. Later bied je ook de vergrotende en overtreffende trap aan. Voorbeelden van de verrijking van de woordenschat bij zintuiglijk materiaal zijn: 
    • cilinderblokken: dik-dun, groot-klein, kort-lang, diep-ondiep, vergelijkende en overtreffende trap (hoger-hoogst)
    • roze toren: groot-klein, vergelijkende en overtreffende trap
    • bruine trap: dik-dun, vergelijkende en overtreffende trap
    • rode stokken: lang-kort, vergelijkende en overtreffende trap
    • kleurspoelen doosje 1: rood, geel, blauw
    • kleurspoelen doosje 2: rood, geel blauw, oranje, paars, groen, roze, grijs, bruin, zwart en wit. 
    • kleurspoelen doosje 3: licht…… en donker…….., vergelijkende en overtreffende trap
    • geometrisch kastje: de namen van alle vormen
    • Vierkanten, driehoeken en cirkels: concentrisch, tangent, aangrenzend, ingeschreven
    • geometrische lichamen: de namen van de lichamen
    • Kastje met de bladvormen: namen van de bladvormen
    • Globes: land, water, continent, oceaan. 
    • Inlegkaart wereld: de namen van de werelddelen en de oceanen, westelijk halfrond, zuidelijk halfrond, enzovoort. 
    • Inlegkaart van Europa: de namen van de landen
    • Inlegkaart van Nederland: de namen van de provincies
    • Aardrijkskunde kaarten: evenaar, noordpool, zuidpool, kreeftskeerkring, steenbokskeerkring, tropische zone, subtropische zone, gematigde klimaatzone, poolcirkel. 
    • Zoölogiekaarten: classificaties en cycli. Namen van de levende objecten, hun classificatie, hun ontwikkelingsstadia, uitwendige delen. 
    • Ruw-glad plankjes: ruw en glad, vergelijkende en overtreffende trap van ruw en glad
    • Stoffendoos: de namen van de stoffen, zoals katoen, wol, zijde, linnen, jute, popeline, fluweel, kant, corduroy, wol, flanel, crepe, satijn. 
    • Temperatuurkruikjes: koud-warm, heet, koel, lauw, vergelijkende en overtreffende trap
    • Sorteerwerkjes: onderscheiden van verschillende granen
    • Geheimzinnig tasje: namen van de dingen
    • gehoorkokers: hard, zacht, vergelijkende en overtreffende trap
    • Stiltespel, luisterspelletjes: geluiden uit de omgeving. 
    • Bellen: hoog, laag, vergelijkende en overtreffende trap, diatonische toonladder, chromatische toonladder, namen van de noten, namen van de halve noten, notenbalk, lijnen, tussen de lijnen, hulplijnen. 
    • Smaakflesjes: zoet, zout, bitter, zuur. 
    • Reukflesjes: de namen van de stoffen die de geur veroorzaken. 


  1. Classificatie plaatjes
    Doelen
    De woordenschat vergroten
    Het kind leert zijn omgeving in te delen
    Voorbereiding op verdere studie. 
    Voorbereiding op het leren lezen. 
    Leeftijd: 2,5 jaar en ouder. 
    Materiaal: 
    Classificatieplaatjes zijn kaarten waarbij je het vocabulaire van een bepaald onderwerp kun uitbreiden. Op deze kaarten zet je geen tekst. Er is steeds een kaart met een plaatje van het onderwerp, bijvoorbeeld een plaatje van de badkamer. Die kaart laat je aan de kinderen zien en je bespreekt waar het over gaat. Je vraagt bijvoorbeeld: „hoe ziet jouw badkamer eruit?”,  "Wat staat er in jouw badkamer?” en: "Wat doe je in een badkamer?” 
    Daarna geef je dan een lesje met de kaarten die erbij horen. 
    Per jaar bied je 20 tot 40 verschillende sets aan. In iedere set kunnen 8 tot 15 kaarten zitten. Soms heb je grotere aantallen, bijvoorbeeld in de VS, daar zou je een set kunnen hebben voor de presidenten van Amerika. Bij grote sets bied je eerst 10 stuks aan en als kinderen die weten, voeg je er meer aan toe. 
    Een variatie op de classificatiekaarten zijn de sets waarbij je twee kaarten bij elkaar moet zoeken, bijvoorbeeld 2 werken van dezelfde kunstenaar. 
    De volgende deel-geheelwerkjes horen ook in deze categorie; bijvoorbeeld: een kaart met wat je vindt in de straat en de details op de rest van de kaarten. Of een werkje over de badkamer; een plaatje van de hele badkamer en op de andere plaatjes de dingen die in de badkamer te zien zijn. 

lichaam
De kaarten moeten maar een onderwerp erop hebben
De kaarten moeten duidelijk zijn, dus je moet bijvoorbeeld ook de voeten en de bek van de vogel kunnen zien. 
Er kan op de achterkant van de kaart informatie staan als dat nodig is. 
De kaarten moeten van dezelfde grootte zijn
Maak een mapje dat op de kaarten past. 
Als je op een uitje geweest bent met de kinderen, kun je daar ook een set kaarten van maken. De kinderen hebben de begrippen in het echt ervaren en kunnen nu het abstractere, de taal erbij, gaan leren. 
In totaal zou je in je klas tegelijkertijd 10 sets kaarten in de kast van de kinderen kunnen hebben liggen. 3 tot 5 deel-geheelwerkjes en dan nog een van elke categorie: geschiedenis, aardrijkskunde, plantkunde , kunst, seizoenen, dierkunde. 
Je kunt verwachten af en toe een kaart kwijt te raken, vooral in de eerste weken. Leg dan dus geen onvervangbare sets neer. 
Laat heel precies zien hoe je de kaarten kunt hanteren. Het is belangrijk dat de kinderen ze voorzichtig van elkaar af laten glijden. 
Aanbieding: 
Nodig het kind uit en haal een kleedje. 
Laat het kind de kaarten met een deel-geheel kaarten zien, zoals het werkje van de badkamer. Vertel het kind dat het een set mag kiezen en mee mag nemen naar het kleedje. 
Ga met het kind door de kaarten heen en sorteer ze in welke het kind kent en welke het niet kent. Als het kind er slechts 2 of 3 kent van de 8, ga dan niet verder met het lesje. Men doet zelden meer dan 2 of 3 lesjes in 3 perioden, tenzij het kind heel erg graag alle namen wil leren kennen. 
De kaarten waarvan het kind de namen niet weet, bied je aan in een lesje in 3 perioden. Je biedt 3 kaarten aan in een lesje. Daarna voeg je andere kaarten toe en doe je nog een lesje in 3 perioden. 
Als het kind de woorden voor alle kaarten heeft aangeboden gekregen, laat je het kind zien hoe hij ze op een stapel kan leggen en zelf kan sorteren in bekend en onbekend. Het is een veilig werk om te doen, want het kind kent de woorden. Je zegt alleen het woord en geeft geen uitleg. 
Het kind wordt ook uitgenodigd om andere sets op die manier te sorteren en daarna kan het dan weer een lesje krijgen om de woorden te leren die het nog niet kent.


  1. Een definitie  of beschrijving maken
    Nodig het kind uit, haal een kleedje en een set met kaarten of kom langs bij een kind dat aan het werk is met een set kaarten. Leg 8 kaarten tegelijkertijd neer. Begin een gesprek over de kaarten. Stel vragen, zoals: „wat is dit?”, „wat kun je ermee doen?” Met de deel-geheelwerkjes praat je alleen over de kaarten en maak je geen definitie. Met objecten zoals de driehoeken kijk je naar de eigenschappen en probeer je een definitie vast te stellen. Bij de classificatieplaatjes, zoals bijvoorbeeld de vogels, kun je de verschillen tussen de vogels bespreken. Het zou het kind kunnen helpen een goede beschrijving te maken door te zeggen: ik ben blind. Je mag de naam van het ding niet zeggen. Vertel wat het is. Het kind kan dan zinnen maken zoals: het is doorzichtig. Het is koud. Ik kan het in mijn hand houden. Als je vraagt wat het is, vertellen kinderen er van alles over. Ga met het kind mee. Stel vragen. Wat is het, waar, wie, wanneer gebruik je het? Hoe (voor 5 jarigen) gebruik je het? Als je zon lesje in een kleine kring doet, heb je doorgaans verschillende leeftijden kinderen. De kinderen die het nodig hebben en wat oudere kinderen. Daarna maak je een definitie. Voorbeeld: Het is een kop, het is van aardewerk, het is turquoise aan de buitenkant en wit aan de binnenkant. We hebben een aardewerken kop die turquoise aan de buitenkant is en wit aan de binnenkant. Zo maak je kinderen bewust van details en verbindt er woorden aan. Deze vragen kun je stellen:
    Voor 3 jarigen: wie, wat
    Voor 4 jarigen: wanneer, hoe
    Voor 5 jarigen: waarom

    Meerdere sets kaarten gebruiken
    Als het kind met meerdere sets gewerkt heeft en de namen kent, kun je de sets door elkaar doen en laten sorteren. Bijvoorbeeld de gewervelde en de ongewervelde dieren (zie foto hieronder)De kaarten kunnen gesorteerd worden door de classificatiekaarten bovenaan te leggen. 
gewerveld ongewerveld

Andere voorbereidingen op het leren lezen: 


  • Memory spelletje: leg enkele objecten op een dienblaadje. Bedenk het dienblad en haal iets weg. Dan toon je de kinderen wat er over is en vraag je wat er weg is. Naar mate het geheugen van de kinderen beter wordt, kun je meer dingen toevoegen. 
  • Ik ga op reis en ik neem mee…. (of varianten hiervan die aansluiten bij de tijd van het jaar). “ik ging naar de dierentuin en zag een …struisvogel”. Het volgende kind dat aan de beurt is zegt: “ik ging naar de dierentuin en zag een…struisvogel en een olifant. “
  • "Ik ging naar de winkel en kocht een peen…." het volgende kind vult aan met een woord dat er op rijmt. Dus: "ik ging naar de winkel en kocht een peen …. en een steen.” Het kind dat nu aan de beurt is begint met een nieuw woord en het kind dat daarna de beurt heeft mag daar op rijmen. Iedere keer wordt er duss een rijm-paar gemaakt. Dit spel kun je op een andere dag ook eens doen door te vragen een woord te kiezen met dezelkfdee beginletter. Dus soep-stok, bal, bank, etc. 
  • Rijmspelletjes
  • Alle vogels vliegen. Om kinderen in aanraking te brengen met werkwoorden.