Fonetische woorden (object box 1)

Previous

Controle van de fout: 

  • Als het laatste kaartje niet overeenkomt met het voorwerp dat over is. 

Doelen: 

  • Het introduceren van lezen als een stille manier van communiceren
  • Een kind realiseert zich dat een geschreven woord bestaat uit een groep klanken die vertegenwoordigd worden door grafische symbolen. 
Leeswerkjes - 17

Leeftijd: 

  • 4,5 jaar

Materialen: 

  • Doosje of mandje
  • 10 voorwerpjes die fonetisch gespeld worden. Probeer de voorwerpjes zo interessant mogelijk te maken. 
  • Verwissel de voorwerpjes af en toe voor andere.
  • Strookjes papier voor een woord, potlood, potloodhouder en onderlegger
  • Strookjes papier met daarom al de geschreven woorden. 

Voorbereiding: 
Je hebt gezien dat het kind probeert om een woord te lezen dat hij met de grote letterdoos gemaakt heeft of dat het probeert te lezen van iets wat aan de muur hangt. Dit werkje maakt het kind bewust van het feit dat hij kan lezen! 

Aanbieding: 

  1. Nodig het kind uit en vraag het kind het mandje mee te nemen naar de tafel terwijl je zelf de schrijfmaterialen haalt: een onderlegger, potlood, potloodhouder en stroken papier. 
  2. Open het mandje. Verwijder de strookjes met woorden en vertel dat je die later zult gebruiken. Laat het kind de voorwerpen eruit halen en verzeker jezelf ervan dat het kind de namen van de voorwerpen kent. 
  3. Vertel het kind dat je gaat denken aan een voorwerp, maar dat je het niet zult zeggen. Deze keer schrijf je het op een stuk papier. „Ik ga je een bericht schrijven en jij mag het neerleggen”. 
  4. Schrijf langzaam en duidelijk. Geef dan de strook aan het kind en help hem eventueel met het uitspreken van het woord. 
  5. Vraag het kind om niet te stoppen tussen de klanken. Dan laat je het kind het woord steeds sneller uitspreken, totdat het woord duidelijk te horen is. Het kind leest het kaartje en legt het bij het juiste voorwerp. 
  6. Leg dan het voorwerp met de strook aan de linker bovenkant van de tafel. Je zult waarschijnlijk twee rijen op tafel maken. 
  7. Een van de voorwerpen zal op zijn minst twee lettergrepen hebben. 
  8. Als alle voorwerpen een strookje hebben gekregen, haal je de stroken weg en doe je ze door elkaar. Nu vraag je het kind om de stroken bij de juiste voorwerpen te leggen. 
  9. Laat het kind achter en neem de schrijfmaterialen mee. 
  10. Als het kind klaar is, zeg je dat het de stroken weer door elkaar kan doen en ze bij de voorwerpen kan leggen, zo vaak als het maar wil. 
  11. De stroken doe je in een lees-envelop met de naam van het kind erop. Dit maakt dat het kind nu een van de lezers in de groep is. „jij bent nu een van de lezers in de groep”. Of je niet de kaartjes aan elkaar en geeft ze mee naar huis. 
  12. Het kind kan ook de stroken gebruiken waarop de woorden geprint zijn, die bij dit werk horen. 
  13. Maak altijd hetzelfde aantal van 10 woorden. 
  14. Je kunt heel veel verschillende voorwerpen hebben. Wissel iedere drie dagen. 

Opmerkingen: 
De woorden die geprint zijn mogen best in drukletter zijn, terwijl je zelf in schrijfletter aanbiedt. Kinderen hebben geen problemen om drukletters te leren nadat ze schrijfletters hebben aangeboden gekregen. Je kunt een lijst aan de muur hangen waarom de beide letters naast elkaar staan met een pijl ertussen. 

Andere fonetische leeswerkjes en variaties: 

  • Maak sets met 10 fonetische woorden, in blok- en schrijfletter. Ze kunnen gebruikt worden om te flitsen voor een kind of voor een groepje van 2 of 3 kinderen. Maak ook een set met woorden met meer dan een lettergreep. 
  • Leesmappen: ieder kind kan een leesmap hebben met werk dat ze zelf gemaakt hebben. In de map zitten blaadjes met een plaatje en een woord per pagina. Het kan steeds veranderd worden. Laat het kind zien hoe het een map kan pakken en terugzetten. 
  • Boekjes: plaatjes aan de ene kant van de bladzijde en een woord aan de rechterkant. 4 tot 8 woorden per boekje. 
  • Plaatjes-kaarten, die gegroepeerd zijn volgens een bepaald onderwerp. De woordkaarten zijn apart erbij. Leg de plaatjes neer en zoek het woordje erbij. Zorg voor veel verschillende sets. Kinderen hebben veel oefening nodig. 
  • Fonetische opdracht zinnen: lees wat er staat en doe wat je leest. 
  • „vandaag ga ik niet met je praten. Ik ga berichtjes schrijven voor jou."
leeswerkjes.JPG