Observeren

Waarom observeren we? 
We observeren kinderen in een montessoriklas als eerste omdat we willen weten wat een kind interesseert. Je kunt gemakkelijker lesjes aanbieden op het juiste niveau als je gekeken hebt naar wat een kind pakt en hoe geboeid hij ermee bezig is. Verder is het belangrijk om de voortgang van zijn ontwikkeling bij te houden. Hoe leert het kind, wat leert het kind? Als je hier meer over weet, kun je registreren en ouders informeren. Ook is het daarna mogelijk beter inhoudelijk te praten met je collega’s over het kind. Je moet ook observeren voordat je kunt ingrijpen in een situatie. Bekijk eerst wat er gebeurt en of het kind zelf met een oplossing komt. Observeren heeft ook een doel dat verder gaat dan het individuele kind. Na meerdere observaties kun je beter inspelen op de individuele behoeften, maar ook op de groepsbehoeften. Kinderen inspireren elkaar met hun werk. Je ziet wat er leeft in je klas en waar je lesjes over kunt geven, welke werkjes in trek zijn en waar je meer van op de plank moet hebben liggen. Door te observeren kun je plannen voor de toekomst. En…. evalueren hoe je voorbereide omgeving is ingericht en wat je eraan zou moeten veranderen. 

De 8 stadia van observatie - een filmpje
Wendy Calise, directeur van een Montessoriopleiding in de Verenigde Staten, hield in 2011 een toespraak over de 8 stadia van observatie. Als leidster begin je je lesgevende tijd met het idee dat je geen tijd hebt om te observeren. Maar daarmee mis je zoveel waardevolle informatie over de kinderen, dat alles wat je doet, zinloos wordt, niet aankomt bij het kind en dat je je gehaast voelt. Zou je echter de tijd gaan nemen om te observeren, dan kon je al snel merken dat observeren heel belangrijk is. 
Stel dus je prioriteiten. 

Dit is de link naar de speech: 

http://www.youtube.com/watch?v=ypR-P1gAfas&list=LL6J76yEuEmWE7e_Ln4_J3RA&feature=share&index=25

Ik heb veel plezier beleefd aan het kijken van het filmpje. Wendy legt met veel humor en foto’s uit hoe observeren kan gaan en hoe het zou moeten gaan. De beschrijft hoe zij evolueerde in het observeren.Voor degenen die geen Engels spreken, schrijf ik graag op wat zij vertelde. 

Professionalisering
Allereerst is het belangrijk om je als leidster te blijven ontwikkelen. Dat gaat niet vanzelf. Ouders zullen niet opbellen of je wel voldoende nascholing hebt gedaan. Je zult er niet wakker van liggen als je niet voldoende bijgeleerd hebt vandaag. Dus is het aan jezelf om die verplichting aan te gaan. Je schoolteam kan alleen de voorwaarden scheppen, jij moet het doen. Observatie is een deel van je professionalisering. 

De methode: observeren
Montessori was een observeerder, geen leerkracht. Ze observeerde, probeerde dingen uit, observeerde weer, leerde van de kinderen, paste materialen aan, observeerde, leerde daar weer van. Dat was de montessori methode. Het is iets wat gemakkelijk vergeten wordt, dat observatie zo belangrijk is. Als je niet observeert, weet je niet wat je aan het doen bent. Je weet niet wat voor invloed je uitoefent door de dingen die je doet. Je wordt beter in lesjes en klassenmanagement, maar je ziet niet wat voor effect jouw lesgeven op de kinderen heeft. Lesgeven gaat over de leidster, maar observeren gaat helemaal over kinderen. 

Observeren voor jou is….
Observatie is de enige manier om  iets te weten te komen over de sterktes en zwaktes van de klas. Met deze kennis kun je beslissingen nemen. 

Veel mensen observeren, anderen weten dat ze het zouden moeten doen. Observeren betekent dat je je niet bemoeit met de situatie. Als je actief betrokken bent bij de situatie is dat bevredigend voor je ego, het maakt dat je je belangrijk voelt. 

ik kan niet observeren want..
Het is moeilijk voor iedereen. Doe geen moeite excuses te vinden:

  • het is moeilijk voor mij, omdat ik het moeilijk vind te observeren
  • het is moeilijk omdat er zoveel kinderen in de klas zijn
  • het is moeilijk omdat ik een storend kind in de klas heb….  

Als je dat vol blijft houden zul je over een paar jaar nog steeds geen observaties doen en je dus niet professioneel ontwikkelen als leerkracht. 

Mtricht-2

Definitie
Maria Montessori vertelt in „het geheim van het kinderleven” dat kinderen geobserveerd moeten worden zoals insecten geobserveerd worden: je ‚verstopt’ jezelf, zorgt dat je niet opgemerkt wordt en bekijkt het kind in zijn natuurlijke omgeving. Men ziet dan dus iemand observeren die helemaal niet gezien wordt door degene die geobserveerd wordt, laat staan dat er sprake is van interactie. 
Observatie is juist dat: nauwgezet kijken met aandacht voor detail. Bij de definitie van observeren hoort geen enkel woord van actie. Alleen observeren en kennis nemen van. Maar voor velen is dit gemakkelijker gezegd dan gedaan. 

Evolutie van observeren
Een leidster evolueert in een betere leidster over de jaren. Bekijk eens in welk stadia jij je zelf bevindt. Soms ga je een stap vooruit naar een ander stadium, soms weer een stap terug. 

Eridge House School - 146
  1. Rondkijken tijdens een lesje: Je geeft een lesje en je kijkt ondertussen rond. Nu is het helemaal niet verkeerd om je bewust te zijn van de klas om je heen, maar noem dit geen observeren. Dat is een illusie. Je denkt dat dit redelijk is. Je kunt best tegelijkertijd lesjes geven en observeren… en aanwijzingen geven. Je merkt dat je dit eigenlijk niet kunt doen, wanneer je een seconde rondgekeken hebt, en weer terugkijkt naar je lesje en denkt: „wat is hier gebeurd? Hoe kan dit zo snel zo verkeerd gaan?” Lesjes waarbij dit gebeurt zijn bijvoorbeeld de slangensommen in de onderbouw of vermenigvuldigen met het kralenrek in de middenbouw. 
  2. Mobiele observatie: je hebt door dat observatie zoals beschreven bij 1. niet werkt. Dat je niet tegelijkertijd lesjes kunt geven en observeren. Je denkt dat je dat niet moet doen omdat je dan geen goede lesjes kunt geven. Je maakt met jezelf de afspraak dat je dat niet meer zult doen, maar op iedere andere tijd: observeren terwijl je rondloopt, met kinderen praat of met volwassenen, tijdens iedere andere activiteit. Stilzitten is niet nodig. Je kunt op ieder moment een accurate ‚foto’ van je klas nemen, op weg van de ene naar de andere plaats in de klas. 
    Als je jezelf filmt op een videocamera zie je dat je heel vaak heen en weer loopt, voor de camera langs. Maar je zou ook nog meer kunnen zien: dat je kinderen naar een ander werk stuurt die eigenlijk gewoon productief werken, dat je kinderen aanspreekt of straft die geen aanwijzingen nodig hebben of juist op een positieve manier bezig waren (maar dat heb je verkeerd geïnterpreteerd). En je zou ook kunnen zien dat alle aanwijzingen die je geeft op weg van de ene naar de andere plaats, zonder om te kijken, genegeerd worden door het kind, zowel door oud als jong. De kinderen doen niet eens de moeite om het te doen lijken of ze je aanwijzingen opvolgen, omdat ze weten dat je toch nooit omkijkt. Het is ineffectief. 
  3. De gevangenisbewaarder. Je denkt dat je moet stilstaan om te kunnen observeren. Een paar tellen stilstaan, kijken, kinderen aanspreken of naar iets sturen , weer kijken…..en dan had je het gedaan. Observeren wordt kennis nemen van wat er gebeurt en er meteen iets aan doen. Na een tijdje merkt je dat dit niet de oplossing is. Je ergert je voortdurend. 
  4. De kromme vinger: je beseft dat je moet zitten om te observeren. Je doet alle dingen die je deed toen je nog stond en liep, allen nu zittend. Als er iets gebeurt wat je niet aanstaat, gebruik je je vinger om kinderen waarmee je een probleem hebt, bij je te roepen. Dit is dus geen observeren (de definitie van observeren is: je houdt jezelf verborgen, verstoort hetgene wat je wilt observeren niet, zodat je het in zijn natuurlijke omgeving kunt bekijken!) 
  5. Stink-oog: observatie met tussenkomst van de leidster door middel van een afkeurende blik. Na een tijdje merk je dat je het gedrag van de kinderen ermee verandert op een manier die je niet wilde en de observaties daarmee beinvloedt. Je realiseert je dan dat je niet moet ingrijpen als je wilt observeren. Dan ben je aangekomen bij stadium 6: 
  6. Antwoorden tijdens je observatie:
     
    Je zit op een stoel en observeert. Je neemt geen initiatief meer om contact te zoeken met een kind, maar je vindt dat als een kind bij je komt, je wel moet antwoorden.
    DSCF0758
    Wie zou het anders moeten doen? Wat zouden de kinderen moeten doen als de voorraad op was? Dan zou jij als leerkracht toch moeten aanpakken? Na een tijdje realiseer je je dat hetgene dat jij aan het observeren was, gewoon doorgaat terwijl jij vragen beantwoordt. Je mist een deel van je observatie en kunt geen goede conclusies trekken. Je wordt er ook heel erg moe van! Je doet alles voor alle kinderen, beantwoordt alle vragen, gaat in op alle verzoeken om hulp. Dit werk in de klas is het werk van de kinderen. Klassenmanagement is niet alleen maar de verantwoordelijkheid van de leidster. 
  7. Pavlovs hond. Je praat niet, kijkt vriendelijk, hebt je lichaam stil. Je spreekt af dat iedere keer dat je op wat voor manier ook ingrijpt terwijl je aan het observeren was, je een dollar in een potje moet doen voor je assistente. Die assistente had waarschijnlijk wel wat goede weken. 
  8. Observeerder als observeerder, voor het eerst. Je realiseert je waar observatie om draait. Kinderen kunnen doen wat ze doen... Je laat je niet storen door kinderen, zoals in het verleden. Een kind kan naast je staan en je aanspreken met je naam, een hand op je schouder leggen… zich afvragen wat er met je is… maar je reageert niet.  

Observatie is een gewoonte die vraagt om zelfbeheersing en discipline. Zelfs als je in stadium 8 aangekomen bent, kun je af en toe terug zakken naar een eerder stadium. Je moet alert blijven. Als je niet observeert zul je dus nooit een betere leerkracht worden. 

Observeer minstens 10 minuten per dag. Je kunt een voorwerp neerzetten dat symboliseert dat je aan het observeren bent. Bijvoorbeeld een kaarsje of een blauwe olifant. Als je goed kijkt, krijg je waardering voor het kind. Je gaat kijken naar de ontwikkeling die er wel is. Als het observeren nieuw voor je is, begin dan kinderen te observeren waarmee het goed gaat. Schrijf je observaties onmiddellijk op. Wees accuraat. Zorg dat alle kinderen een keer geobserveerd worden. Gebruik de informatie om te evalueren. Maak tijd voor observatie.

Soorten observaties: 

  • Beschrijvend
  • Checklijst
  • post it briefjes
  • formulier
  • foto’s
  • film

Groepsobservatie: maak een a4 met aan de linkerkant een rij namen. Rechts maak je twee kolommen. Betrokkenheid en welzijn. D.m.v. een 5 punts schaal geef je ieder kind een cijfer. 

Of werk met letters: 

  • i- toont interesse
  • l-lesje
  • h-herhaalt
  • la- laat anderen het lesje zien
  • a-afgemaakt
  • w-weglopen van werk
  • v-variatie met het materiaal. 

Wat kun je observeren? 

  • Hoe is dit kind aan het wennen aan zijn omgeving?
  • Zelfvertrouwen
  • Het aangaan van relaties
  • Gevoelens
  • De werkhouding
  • Het gedrag
  • De werkkeuze
  • aandacht voor het werk
  • De houding waarin het kind werkt. 
  • Orde/verzorging van het werk
  • netheid in schriften en werkjes
  • Opruimen van het materiaal
  • versiering van het werk. 
  • Welke kennis, vaardigheden en begrip laat het kind zien? 
  • Is er vooruitgang te zien? 

Kies een ding dat je wilt observeren voor die dag. Je kijkt de hele dag naar dat onderdeel. Noteer op je observatie welk vakgebied en werk het kind gekozen heeft en wat het kind deed wanneer het niet met werk bezig was. Maak zo weinig mogelijk aantekeningen en beperk je tot het aspect dat je wilde observeren. Baseer je oordeel niet op een observatie. Na een observatie kun je een vraag formuleren. Je conclusie trek je pas na meerdere observaties. 

De eerste taak van een leidster is observeren. Observeren betekent goed kijken. Waardering voor het kind krijgen. Kijken naar ontwikkelingen die er veel is. Kijk eerst naar kinderen waarmee het wel goed gaat. Zo leer je goed observeren. Montessori zei:"tijdens het werken moet je zoveel tijd overhouden dat je tijd overhoudt om je terug te trekken en te observeren."

Observeer zonder waarde-oordeel. Dus niet: werkt ongeconcentreerd, maar: kijkt naar zijn werk

Peer-obseravtie -observeer je collega. 

Neen 5 minuten om je collega te observeren. Kijk naar positieve dingen. Start met feedback:"Hoe vind je dat het ging?" Dat zou je bij kinderen ook doen. Doe het op een opgebouwde manier. Aan het eind van de peerobservatie: feedback, wat de geobserveerde persoon heeft gezegd als antwoord en wat je zou willen bespreken in een teamvergadering.