Lezen

hangwoorden: om overal in de klas neer te leggen

haal-woorden

Bij lezen horen de volgende vaardigheden: 

  • Technisch lezen, zowel aanvankelijk als voortgezet lezen
  • Voordrachtslezen
  • Begrijpend lezen
  • Studerend lezen
  • Voor je plezier lezen

De start van het leesproces heet aanvankelijk lezen. Bij montessori-lezen starten we met: 

  1. fonetische woorden
  2. tweetekenklanken
  3. Inprentwoorden
  4. lezen van classificaties

Lezen is een dubbel proces. Eerst dient het kind het woord in klanken te analyseren en de symbolen te benoemen. Bijna meteen daarna moet het die losse klanken tot een woord samenvoegen. De voorbereiding voor het lezen begint bij de oefeningen uit het dagelijks leven. Daar oefenen kinderen om hun ogen van links naar rechts te bewegen in werkjes als stoffen, tafels boeken met was, tafel wassen en materialen neerleggen wanneer ze bijvoorbeeld gaan (koper) poetsen). Bij zintuiglijk materiaal helpt het om kinderen met kaarten te laten werken of visuele overeenkomsten te zoeken. Dit bereidt het oog voor op lezen. Zodra het kind gewerkt heeft met de schuurpapieren letters en de grote letterdoos, gaat het kind spontaan synthetiseren. Het kind kan dan verschillende vormen onderscheiden. Dit betekent dat een kind klaar is om te gaan leren lezen. 

Er zijn twee aspecten betrokken bij het voorbereiden om te leren lezen en het lezen zelf. De techniek van het lezen moet aangeleerd worden. Dit doet de leidster met het eerste leeswerkje: een doosje met voorwerpjes en woordjes. 

ella lisa taal-lezen

Het kind herkent de klank en synthetiseert het woord onmiddellijk. Tegelijkertijd gaat het proces van betekenis geven aan wat het kind leest. 

Vergelijkbaar met de schrijfexplosie, is er ook een explosie in de drang om te lezen: het kind wil dan alles lezen wat er in beeld komt. Dit gebeurt wanneer de technische vaardigheid en het betekenis geven aan het gelezene tegelijkertijd plaats vindt. 

Er is een aantal leeswerkjes dat van belang is om aan te bieden in een bepaalde volgorde: 

  1. Doosje 1, met fonetisch geschreven woorden en voorwerpjes
  2. Doosje 2,  met fonetisch geschreven woorden en voorwerpjes, tweetekenklanken/grafeemproblemen

Lezen bestaat uit twee vaardigheden: het analyseren van de klank en het synthetiseren tot een woord. Na het leggen van woorden, is de volgende stap die je neemt: het kind laten ontdekken dat het zelf iets kan lezen. 

Eisen aan een werkje

Bij het zelf maken van leeswerkjes dient de leidster te denken aan de volgende kenmerken:

  • De hoeveelheid: 10 plaatjes of voorwerpjes of kaartjes
  • Aantrekkelijke , kleine voorwerpen, bij voorkeur niet van plastic. 
  • Gebruik het juiste lettertype
  • Maak alle kaartjes even groot
  • Berg de materialen op in een open mandje
  • Werk van driedimensionaal naar plaatjes. Ook langere woorden kunnen nog aangeboden worden in een mandje met concrete materialen.

In Engeland beschikken veel Montessoriklassen over de zogenaamde 'pink, blue and green boxes', een serie van leeswerkjes uitgegeven door een Engelse montessoristichting, 'St. Nicholas Centre'.

Werkjes voor het aanvankelijk lezen, die je zelf kunt maken: 

  • Een letterdobbelspel. Zet op een houten kubus aan alle kanten een letter. Laat het kind een woord met een beginklank of eindklank zoeken op een kaart met 9 plaatjes. Makkelijker: zoek dezelfde letter op de kaart. 
  • Een letterkleed: maak een kleed met alle letters en/of met de dubbelklanken. Je kunt er zakken op naaien en de dubbelklanken aan de achterkant doen. Een variatie is een kleiner kleed met minder zakjes waarin je kaartjes met plaatjes kunt doen. Door middel van buddies kun je de letters wisselen. Controle van de fout: van alles een. 
  • Klank sorteer spel: in laatjes of bakjes stop je meerdere voorwerpjes met dezelfde beginklank. Doe bijvoorbeeld twee klanken in een bakje. Kan een verwerking zijn van een letterlesje. 
  • Ook een mandje met voorwerpen en kaartjes voor de dubbelklanken 
  • Een mandje voor de moeilijke beginklanken (school, kraal)
  • 2 stapeltjes kaartjes in verschillende kleuren. Op de kaartjes staan rijmwoorden geschreven. 
  • Doe-woorden (lig, buk, til, glij). Wat op het kaartje staat moet je doen. 
  • Kaarten met rijen woorden, waarbij een klank hetzelfde blijft. Bijvoorbeeld: wip - big- wil- vis. Het kind leest de woorden en legt ze na met de letterdoos. 
  • Haal-woorden: kaartjes met woorden met letters  (pen, pop, tas, bril, munt, klok, schaar) op kaartjes. 
  • Kaartjes met bijvoeglijke naamwoorden (grote, dunne). Laat het kind de kaart neerleggen bij een voorwerp waar het bij past. 
  • Etiketteerkaartjes of ook wel genoemd hangwoorden. Kaartjes met een touwtje eraan of zonder touwtje die je overal in de klas kunt neerleggen en ophangen. 
  • PLaatjes van de kinderen en kaartjes met de namen. Met controleset waarop naam en foto staan. Dus eigenlijk een set classificatiekaarten met de kinderen erop. 

Werkjes voor het voortgezet lezen die je zelf kunt maken

  • De ontwikkeling van de kikker. 4 plaatjes en kaartjes met zinnen die erbij passen. Dit werkje leg je in de kosmische kast. 
  • Een boekje over de spin met daarin steeds hetzelfde plaatje waarvan steeds een ander deel gekleurd is. Het kind kan op een kopieerblad de onderdelen inkleuren en de woorden (kop, borststuk) eronder plakken. 
  • Dieren in Afrika: een boekje met allemaal dieren (zebra, olifant)
  • De landen van Europa omtrekken en de namen van de landen erbij. Om na te stempelen. 
  • Laat een kind uit de bovenbouw een werkje maken voor de onderbouw. 
  • Doezinnen (lees een boek, loop naar de gang, geef de juf een hand, kam je haar, pak je tas)
  • Maak zinnen op stroken die je door midden knipt. Het kind doet ze aan elkaar met een knijper (de vlieger……is heel hoog. het gras……..is groen)

Werkjes die je kunt kopen: 

  • De leeswerkjes van de Arend, ook voor het voortgezet lezen. Verkrijgbaar in methodisch koordschrift en blokschrift. 
  • Ziezo lezen, bedoeld voor eind groep 2/groep 3 uit 1987, in methodisch koordschrift, en ook uitgegeven in blokschrift. Bestaande uit ee roze serie (10 klinkers met woordjes), blauwe serie voor de dubbelklanken en een groene serie voor sch-nk en ng. Er zijn ook controlekaarten en leesboekjes bij. Te koop bij Nienhuis. Het is ontwikkeld door twee montessorischolen, maar geen officieel „montessori ontwikkelingsmateriaal”. 


De indeling van de taalkast in Nederland

De taalkast is ingedeeld in 5 planken met werkjes opklimmend in moeilijkheidsgraad. Hieronder volgt een beschrijving van de indeling: 

  1. Plank 1: klankzuivere leeswerkjes
    • woordjes bij voorwerpjes
    • etiketteerwoorden
    • woorden bij plaatjes
    • doe- en haalwoorden
    • lange woorden, samenstellingen
    • Woordlijsten (rijnwoorden en samengestelde woorden)
    • Thema leeswerkjes, zoals in en om het huis, lichaam, boerderij. 
  2. Plank 2: Niet klankzuivere leeswerkjes
    • woordjes bij voorwerpjes
    • woordjes bij plaatjes
    • doe-en haalwoorden
    • telwoorden
    • tegenstellingen (ruw-glad, licht-donker)
    • Lange woorden, samenstellingen
    • Woordlijsten (verkleinwoorden, enkelvoud-meervouw, lettergrepen, voor- en achtervoegsels, samenstellingen
    • Thema -leeswerkjes
  3. Plank 3: Delen van zinnen en zinnen
    • Het samenstellen van korte zinnen (mijn vader - leest, het meisje - lacht, ik - loop - in - de - tuin)
    • zinnen bij afbeeldingen leggen (een rode bus, een broodje kaas, de kat op de mat)
    • doe-zinnen
    • etiketteerzinnen
  4. Plank 4: Korte versjes en verhaaltjes: 
    • Versjes op kaarten
    • korte verhaaltjes
    • zinnen op volgorde leggen
    • versjes op volgorde leggen
    • boekjes
  5. Plank 5: Leeswerkjes en boekjes in drukletters

Het is de bedoeling dat de werkjes gepresenteerd worden in open bakjes en mandjes. Ik heb die regel zelf overtreden en een handzaam kastje gemaakt met laatjes. Iedere kleur correspondeert met een van de planken in de hier boven beschreven kast. Hieronder zie je het kastje. Ieder laatje bevat een werkje. Plank 5 is er niet bij. 

IMG 7400