Leeswerkjes

Op deze pagina vind je allerlei leeswerkjes voor aanvankelijk en voortgezet lezen. 

Schrijfletter of drukletter?

De woorden die geprint zijn mogen best in drukletter zijn, terwijl je zelf in schrijfletter aanbiedt. Kinderen hebben geen problemen om drukletters te leren nadat ze schrijfletters hebben aangeboden gekregen. Je kunt een lijst aan de muur hangen waarop de beide letters naast elkaar staan met een pijl ertussen. 

Eisen aan en werkje

Bij het zelf maken van leeswerkjes dient de leidster te denken aan de volgende kenmerken:

  • De hoeveelheid: 10 plaatjes of voorwerpjes of kaartjes
  • Aantrekkelijke , kleine voorwerpen, bij voorkeur niet van plastic. 
  • Gebruik het juiste lettertype
  • Maak alle kaartjes even groot
  • Berg de materialen op in een open mandje
  • Werk van driedimensionaal naar plaatjes. Ook langere woorden kunnen nog aangeboden worden in een mandje met concrete materialen.

Werkjes voor het aanvankelijk lezen, die je zelf kunt maken: 

  • Een mandje met voorwerpen en kaartjes voor de dubbelklanken.
  • Een mandje voor de moeilijke beginklanken (school, kraal)
  • 2 stapeltjes kaartjes in verschillende kleuren. Op de kaartjes staan rijmwoorden geschreven. 
  • Doe-woorden (lig, buk, til, glij). Wat op het kaartje staat moet je doen. 
  • Kaarten met rijen woorden, waarbij een klank hetzelfde blijft. Bijvoorbeeld: wip – big- wil- vis. Het kind leest de woorden en legt ze na met de letterdoos. 
  • Kaartjes met bijvoeglijke naamwoorden (grote, dunne). Laat het kind de kaart neerleggen bij een voorwerp waar het bij past. 
  • Plaatjes van de kinderen die in de klas zitten en kaartjes met de namen. Met controleset waarop naam en foto staan. Dus eigenlijk een set classificatiekaarten met de kinderen erop. 
  • Maak sets met 10 fonetische woorden, in blok- en schrijfletter. Ze kunnen gebruikt worden om te flitsen voor een kind of voor een groepje van 2 of 3 kinderen. Maak ook een set met woorden met meer dan een lettergreep. 
  • Leesmappen: ieder kind kan een leesmap hebben met werk dat ze zelf gemaakt hebben. In de map zitten blaadjes met een plaatje en een woord per pagina. Het kan steeds veranderd worden. Laat het kind zien hoe het een map kan pakken en terugzetten. 
  • Vertel een kind: „vandaag ga ik niet met je praten. Ik ga berichtjes schrijven voor jou.”

Voorwerpjes en kaartjes

Plaatjes en kaartjes, die gegroepeerd zijn volgens een bepaald onderwerp. Leg de plaatjes neer en zoek het woordje erbij. Zorg voor veel verschillende sets. Kinderen hebben veel oefening nodig. 

Etiketteerwoorden of ook wel genoemd hangwoorden: grote woordkaarten die een kind kan lezen en op de juiste plaats kan leggen. Kaartjes met een touwtje eraan of zonder touwtje die je overal in de klas kunt neerleggen en ophangen. 

Boekjes: plaatjes aan de ene kant van de bladzijde en een woord aan de rechterkant. 4 tot 8 woorden per boekje. 

Doosjes of potjes met woorden met een bepaalde klank. Vouw de kaartjes op, zodat het een soort “geheimzinnig kaartje” wordt dat je opendoet en het leest. 

Woordkaarten met wisselrijtjes

Rijmwoorden lezen: op het eerste kaartjes staat een plaatje met een woordje. Er staat in dit geval “kat”. Lees met het kind het woord en laat horen dat de andere woorden rijmen. Dit helpt het kind te leren lijmend lezen. 

Woorden op plakbriefjes schrijven en laten opplakken

Woordjes die je op je lichaam legt

Haal-woorden: maak kaartjes met dingen die in de klas te vinden zijn. Laat het kind de kaartjes lezen en de dingen halen. Voorbeelden:pen, pop, tas, bril, munt, klok, schaar. 

Ziezo lezen, wordt niet meer verkocht, bedoeld voor eind groep 2/groep 3 uit 1987, in methodisch koordschrift, en ook uitgegeven in blokschrift. Bestaande uit een roze serie (10 klinkers met woordjes), blauwe serie voor de dubbelklanken en een groene serie voor sch-nk en ng. Er zijn ook controlekaarten en leesboekjes bij. Niet meer te koop, alleen nog tweedehands. Het is ontwikkeld door twee montessorischolen, maar geen officieel „montessori ontwikkelingsmateriaal”. 

Korte leeszinnen. Het kind leest de zin en voert hem uit. 

In Engeland beschikken veel Montessoriklassen over de zogenaamde ‘pink, blue and green boxes’, een serie van leeswerkjes, onder meer uitgegeven door een Engelse montessoristichting, ‘St. Nicholas Centre’.

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

Leeswerkjes voor voortgezet lezen

werkjes voor het voortgezet lezen die je zelf kunt maken en kopen

De levenscyclus van een dier, bijvoorbeeld de schildpad. 4 plaatjes en kaartjes met zinnen die erbij passen. Dit werkje leg je in de kosmische kast. 

Een boekje over een dier, bijvoorbeeld het paard, met daarin steeds hetzelfde plaatje waarvan steeds een ander deel gekleurd is. 

Het kind kan op een kopieerblad de onderdelen inkleuren en de woorden (kop, borststuk) eronder plakken. 

Haal-zinnen

Zinnen bij voorwerpjes (op de foto hondjes die allemaal iets doen)

Zinnen bij plaatjes (bijvoorbeeld over muziekinstrumenten)

  • Dieren in Afrika: een boekje met allemaal dieren (zebra, olifant)
  • De landen van Europa omtrekken en de namen van de landen erbij. Om na te stempelen. 
  • Laat een kind uit de bovenbouw een werkje maken voor de onderbouw. 
  • Doezinnen (lees een boek, loop naar de gang, geef de juf een hand, kam je haar, pak je tas)
  • Maak zinnen op stroken die je door midden knipt. Het kind doet ze aan elkaar met een knijper (de vlieger……is heel hoog. het gras……..is groen)
  • De leeswerkjes van de Arend, ook voor het voortgezet lezen. Verkrijgbaar in methodisch koordschrift en blokschrift. 

De leeszinnen

De leeszinnen zijn bedoeld voor het voortgezet lezen, in de middenbouw. Ze vormen de voortzetting van de opdrachtzinnen, waarbij kinderen een omschreven opdracht moeten uitvoeren. Voor de doos met leeszinnen geïntroduceerd wordt, schrijft de leidster eerst een zin op een strook, bijvoorbeeld: “loop naar de deur en open ze”. Het kind leest het en doet het. 

 

Dan biedt de leidster een van de leeszinnen aan. Het kind leest het kaartje en beeldt de zin uit. Kinderen werken graag samen met dit materiaal. Ze lezen de zinnen soms meerdere malen achter elkaar, leven zich in en spelen het uit. 

De zinnen zitten in 7 vakken, op kleur gesorteerd en klimmen op in moeilijkheidsgraad. 1=paars en bestaat uit een zin. De zinnen bij vakje 7 bestaan uit een heel verhaaltje dat de kinderen gaan uitbeelden. 

Groepsspel: iedereen mag raden wat er op het kaartje staat. 

De indeling van de taalkast in Nederland

De taalkast is ingedeeld in 5 planken met werkjes opklimmend in moeilijkheidsgraad. Hieronder volgt een beschrijving van de indeling: 

  1. Plank 1: klankzuivere leeswerkjes
    • woordjes bij voorwerpjes
    • etiketteerwoorden
    • woorden bij plaatjes
    • doe- en haalwoorden
    • lange woorden, samenstellingen
    • Woordlijsten (rijnwoorden en samengestelde woorden)
    • Thema leeswerkjes, zoals in en om het huis, lichaam, boerderij. 
  2. Plank 2: Niet klankzuivere leeswerkjes
    • woordjes bij voorwerpjes
    • woordjes bij plaatjes
    • doe-en haalwoorden
    • telwoorden
    • tegenstellingen (ruw-glad, licht-donker)
    • Lange woorden, samenstellingen
    • Woordlijsten (verkleinwoorden, enkelvoud-meervouw, lettergrepen, voor- en achtervoegsels, samenstellingen
    • Thema -leeswerkjes
  3. Plank 3: Delen van zinnen en zinnen
    • Het samenstellen van korte zinnen (mijn vader – leest, het meisje – lacht, ik – loop – in – de – tuin)
    • zinnen bij afbeeldingen leggen (een rode bus, een broodje kaas, de kat op de mat)
    • doe-zinnen
    • etiketteerzinnen
  4. Plank 4: Korte versjes en verhaaltjes:
    • Versjes op kaarten
    • korte verhaaltjes
    • zinnen op volgorde leggen
    • versjes op volgorde leggen
    • boekjes
  5. Plank 5: Leeswerkjes en boekjes in drukletters

Het is de bedoeling dat de werkjes gepresenteerd worden in open bakjes en mandjes.